Ursula, oh Ursula

dikvetvarkenLiggend in de drek dacht Ursula na. Over de zin van het leven, over de liefde. Over de avond van daarvoor. Knallende koppijn had ze, het was té gezellig geweest in de feesttent. De muziek was goed, de mensen waren blij en gezellig. Beer stond op de tafels te dansen en Harry hing in de lampen. De stemming was uitgelaten en toen Ursula en haar vrienden op de fiets naar huis ging, reed Henk-Jan nog in de sloot. Er zat water in en HJ zat helemaal onder het kroos. Iedereen had hard moeten lachen, Ursula nog het hardst.

Want Ursula wilde niet toegeven dat ze HJ best een leuk varken vond. Als hij bewusteloos uit de sloot getakeld had moeten worden, dan had ze hem best mond-op-mond beademing willen geven. Maar HJ overleefde, hij maakte er een grapje van. Last van zijn poot had hij. Ietsje maar. Hij zou er morgen iemand naar laten kijken, iemand die verstand van medische zaken had.

En nu, luttele uren later, heeft Ursula een kater. Liggend in het stro, in de natte drek probeert ze de demonen die haar hersenen teisteren te verdrijven. Met intense gedachten. Maar het helpt niet. Haar hoofd bonkt. Haar brein is als een knikker die tegen de wanden van haar schedel aan knalt, iedere keer als ze beweegt. Haar ogen puilen bijna uit hun kassen. En de zon, die zon! Ondraaglijk. Een gezellige avond heeft zo z’n prijs, dat beseft Ursula maar al te goed.